Waarom de Epworth Slaperigheidsschaal meer zegt dan 'ik ben moe'
Een vragenlijstje van acht regels dat je leven kan kantelen
De Epworth Slaperigheidsschaal ziet er onschuldig uit: acht alledaagse situaties, van tv-kijken tot als passagier in de auto zitten, en de vraag: hoe groot is de kans dat je in slaap valt? Niet “ben je moe”, maar echt “val je in slaap”. Dat verschil is belangrijk.
Neem Sara, 42 jaar. Ze kwam bij de huisarts met klachten over hoofdpijn en concentratieproblemen. Vermoeidheid? Ja, natuurlijk, drukke baan, kinderen. Haar Epworth-score: 16. Dat is best wel hoog. Een paar weken later lag ze in het slaaplab. Diagnose: ernstig obstructief slaapapneusyndroom. De vragenlijst was niet het bewijs, maar wel het alarmsignaal.
Hoe werkt de Epworth Slaperigheidsschaal eigenlijk?
De schaal is ontwikkeld in Australië, maar wordt nu standaard gebruikt in Nederlandse en Belgische slaapcentra. Je krijgt acht situaties voorgelegd, bijvoorbeeld:
- Zittend lezen
- Tv-kijken
- Als passagier in een auto, een uur zonder pauze
- In de middag liggend rusten als je daar de kans voor hebt
- Zittend praten met iemand
- Rustig zittend na de lunch (zonder alcohol)
- In een auto, wanneer je een paar minuten stilstaat in het verkeer
Bij elke situatie geef je aan hoe groot de kans is dat je in slaap valt:
- 0 = nooit
- 1 = kleine kans
- 2 = redelijke kans
- 3 = grote kans
Alles wordt opgeteld. De score loopt dus van 0 tot 24.
Wat zeggen die getallen nou echt?
Artsen gebruiken vaak deze grove indeling:
- 0-10: normaal tot lichte slaperigheid
- 11-14: verhoogde slaperigheid
- 15-24: duidelijke, vaak zorgelijke slaperigheid
Maar hier komt het interessante: veel mensen met een score van 8 of 9 denken dat ze “wel meevallen”, terwijl ze in feite elke dag op het randje balanceren. Zeker als je in de auto al een “redelijke” kans hebt om in slaap te vallen, gaat bij slaapartsen eigenlijk al een lampje branden.
Waarom “slaperigheid” iets anders is dan “moe zijn”
In spreekkamers gaat dit vaak door elkaar. “Ik ben zo moe” kan betekenen: fysiek uitgeput, mentaal leeg, of echt slaperig. De Epworth-schaal zoomt in op dat laatste: de neiging om ongewild in slaap te vallen in rustige situaties.
Iemand met burn-outklachten kan zich compleet opgebrand voelen, maar valt niet zomaar in slaap tijdens een gesprek. Iemand met slaapapneu of narcolepsie doet dat soms wél. Dat verschil helpt artsen om gerichter te zoeken.
Waarom artsen deze schaal bijna altijd in het dossier willen hebben
In de diagnostiek van slaapproblemen is de Epworth-schaal een soort startfoto. Niet haarscherp, maar je ziet meteen de grote lijnen. Bij een eerste verwijzing naar een slaapcentrum staat de score vaak al in de brief van de huisarts.
Bijvoorbeeld:
- Een patiënt met snurken, nachtelijke ademstops volgens de partner en een Epworth-score van 14: grote kans dat er slaapapneu speelt.
- Iemand met doorslaapproblemen, veel piekeren, maar een Epworth-score van 6: dan denken artsen eerder aan insomnie, stress, angst of depressie.
De schaal wordt ook gebruikt om het effect van behandeling te volgen. Iemand start met CPAP-therapie bij slaapapneu en gaat van 17 naar 7 in een paar maanden. Dat is voor zowel arts als patiënt een tastbaar signaal dat de behandeling werkt, naast alle technische meetgegevens uit het slaaponderzoek.
Waarom mensen zichzelf zo vaak verkeerd inschatten
Hier wordt het nou echt interessant. In de praktijk zie je twee groepen die de Epworth-schaal totaal anders invullen.
Neem Mark, 55 jaar, vrachtwagenchauffeur. Hij scoorde 8 en zei: “Valt toch mee?” Zijn vrouw zat ernaast en zei droog: “Je bent al drie keer bijna in slaap gevallen tijdens het journaal.” Voor hem was dat “gewoon ouder worden”. Tijdens de polysomnografie bleek hij tientallen ademstops per uur te hebben.
Aan de andere kant heb je mensen die zichzelf juist overschatten. Iemand met een drukke baan, veel stress, slechte slaapgewoonten, scoort 15, maar tijdens objectief slaaponderzoek blijkt dat hij eigenlijk nauwelijks in slaap valt overdag. Bij hem is het gevoel van uitputting groter dan de daadwerkelijke slaperigheid.
Kortom: de Epworth-schaal meet subjectieve slaperigheid. Hoe jij het ervaart. Dat is waardevol, maar artsen leggen de score daarom nooit los van het verhaal dat je erbij vertelt.
Hoe past de Epworth-schaal in breder slaaponderzoek?
De schaal staat zelden op zichzelf. In een slaapcentrum is het onderdeel van een soort pakketje aan vragenlijsten en onderzoeken.
Meestal gaat het ongeveer zo:
Je komt met klachten bij de huisarts. Die vraagt naar je slaappatroon, soms al naar je Epworth-score, en beslist of een verwijzing naar een slaapcentrum zinvol is. In het slaapcentrum vul je vaak meerdere vragenlijsten in: over slaperigheid, slaapkwaliteit, stemming, soms ook over ademhalingsklachten.
Bij een verhoogde Epworth-score, vooral boven de 10, gecombineerd met klachten als:
- luid snurken
- ademstops volgens de partner
- ochtendhoofdpijn
- concentratieproblemen
is de kans groot dat je wordt ingepland voor een slaapregistratie. Dat kan een nacht in het slaaplab zijn (polysomnografie) of een thuismeting (polygrafie).
Bij verdenking op narcolepsie of andere hypersomnie kan na een nachtmeting een MSLT volgen: een test waarbij je overdag meerdere keren de kans krijgt om te slapen, terwijl apparatuur meet hoe snel je in slaap valt en of er direct droomslaap optreedt. De Epworth-score helpt om te bepalen of zo’n test zinvol is.
De zwakke plekken van de Epworth-schaal (en waarom die toch niet onbruikbaar maken)
Laten we eerlijk zijn: de Epworth-schaal is geen wonderinstrument.
Een paar duidelijke beperkingen:
- Het is zelfrapportage. Als je jezelf stoerder voordoet, komt er een lagere score uit.
- De situaties passen niet bij iedereen. Iemand die nooit tv kijkt of geen auto rijdt, moet zich dingen “voorstellen”.
- Cultuur en gewoonten spelen mee. In sommige families is na de lunch even in slaap vallen heel normaal, in andere wordt dat gezien als lui.
Toch is de schaal in onderzoek en in de kliniek behoorlijk handig gebleken om groepen te onderscheiden: mensen met ernstige slaapapneu scoren gemiddeld hoger dan gezonde slapers. Maar op individueel niveau kan de score misleidend zijn als je hem uit zijn context trekt.
Daarom combineren slaapartsen de Epworth-schaal altijd met:
- een slaapdagboek of actigrafie (een soort slaaphorloge)
- vragen over medicatie, alcohol, cafeïne
- informatie van een bedpartner
- objectieve slaapmetingen
De boodschap: neem je score serieus, maar zie het als een signaal, niet als een definitieve diagnose.
Thuis invullen: nuttig of alleen maar onrustgevend?
Je vindt de Epworth-schaal op allerlei Nederlandse en Belgische gezondheidssites. Veel mensen vullen hem thuis in, soms uit nieuwsgierigheid, soms omdat ze zich zorgen maken.
Is dat nuttig? Ja, best wel, mits je er verstandig mee omgaat.
Handig is om:
- de vragen rustig te lezen en eerlijk te antwoorden, dus niet “zoals het zou moeten zijn”, maar zoals het nu is
- de score te bewaren en mee te nemen naar je huisarts als je klachten hebt
- er niet zelf conclusies aan te verbinden in de trant van “ik heb vast slaapapneu” op basis van alleen die score
Als je boven de 10 scoort en je herkent jezelf in klachten als wegdommelen overdag, moeite met concentratie of bijna in slaap vallen achter het stuur, dan is dat een hele goede reden om het gesprek met je huisarts aan te gaan.
Waarom de context van je leven zoveel uitmaakt
Een Epworth-score van 12 bij een jonge, verder gezonde student die net een paar weken tentamenstress heeft en halve nachten doorhaalt achter de laptop, zegt iets anders dan dezelfde score bij een 58-jarige man met overgewicht, hoge bloeddruk en luid snurken.
Slaapartsen denken altijd in patronen:
- Hoe lang bestaan de klachten al?
- Is er een duidelijke aanleiding (rouw, stress, ploegendienst)?
- Zijn er andere medische problemen (hart- en vaatziekten, depressie, neurologische aandoeningen)?
De Epworth-schaal is dan een van de puzzelstukjes. Niet het hoekstuk, maar ook niet onbelangrijk.
Hoe eerlijk durf je te zijn over je slaperigheid?
Er zit ook een sociaal aspect aan. Toegeven dat je bijna in slaap valt in de auto, is confronterend. Zeker als je veel rijdt voor je werk. Toch is dat precies het soort informatie waar artsen wat mee kunnen.
In slaapcentra hoor je vaak dat mensen achteraf zeggen: “Had ik maar eerder eerlijk ingevuld hoe vaak ik bijna indommelde.” Want ja, het is eng om toe te geven, maar het alternatief - een ongeval door slaperigheid - is een stuk erger.
Soms helpt het om de schaal samen met een partner in te vullen. Die ziet vaak dingen die jij normaal bent gaan vinden: telkens wegdommelen op de bank, altijd “even de ogen dicht” na het eten, of in de bioscoop geen film afkijken zonder te knikkebollen.
Veelgestelde vragen over de Epworth Slaperigheidsschaal
Is een hoge Epworth-score altijd een teken van slaapapneu?
Nee. Een hoge score betekent dat je overdag makkelijk in slaap valt in rustige situaties. Dat kan door slaapapneu komen, maar ook door narcolepsie, een verstoord slaap-waakritme, bepaalde medicijnen of gewoon ernstig slaaptekort. Daarom is vervolgonderzoek nodig.
Kan ik met een lage score toch een serieus slaapprobleem hebben?
Ja. Vooral bij mensen met slapeloosheid (insomnie) zie je vaak dat ze zich uitgeput voelen, maar juist níet makkelijk in slaap vallen overdag. Hun Epworth-score is dan laag, terwijl hun slaapkwaliteit wel sterk verminderd is. De schaal meet dus maar één aspect van slaapproblemen.
Hoe vaak moet de Epworth-schaal opnieuw worden ingevuld?
In slaapcentra wordt de schaal vaak bij het eerste bezoek ingevuld, en later nog eens om het effect van behandeling te volgen. Thuis heeft het zin om hem opnieuw te doen als er iets verandert: start of stop van medicatie, nieuwe behandeling, verandering in werktijden, of als je klachten duidelijk toenemen.
Is de Epworth-schaal ook geschikt voor kinderen?
Oorspronkelijk is de schaal ontwikkeld voor volwassenen. Voor kinderen en jongeren bestaan aangepaste vragenlijsten. Bij twijfel over slaperigheid bij een kind is het beter om dit met een kinderarts of gespecialiseerd slaapcentrum te bespreken dan zelf te gaan rekenen met de standaard Epworth-schaal.
Moet ik me direct zorgen maken als ik hoger dan 10 scoor?
Zorgen maken helpt je niet verder, maar het is wél een signaal om actie te ondernemen. Zie het als een uitnodiging om met je huisarts te praten, zeker als je ook klachten hebt als snurken, ademstops, concentratieproblemen of bijna in slaap vallen in het verkeer.
Waar kun je betrouwbare informatie vinden?
Voor wie verder wil lezen over slaperigheid en slaaponderzoek:
- Thuisarts heeft duidelijke uitleg over slaperigheid overdag en slaapapneu: https://www.thuisarts.nl
- De Hersenstichting legt helder uit hoe slaap en hersenen samenhangen: https://www.hersenstichting.nl
- Op Gezondheidsnet vind je toegankelijke artikelen over slaapproblemen en snurken: https://www.gezondheidsnet.nl
En als je na het invullen van de Epworth-schaal denkt: “Dit voelt eigenlijk niet goed” - dan is de volgende stap niet nóg een test online doen, maar gewoon een afspraak maken bij je huisarts. Dat gesprek is vaak het echte begin van duidelijkheid.
Related Topics
Je slaaponderzoek is klaar – en nu?
Snurken, stopmomenten, moe opstaan: is een apneutest thuis iets voor u?
Wat te Verwachten in het Slaaplaboratorium: Een Gids voor Patiënten
Waarom een slaapdagboek je slaaponderzoek maakt of breekt
Waarom die saaie slaapvragenlijsten je meer vertellen dan je denkt
Waarom de Meerdere Slaap Latentie Test meer zegt dan ‘ik ben moe’
Explore More Slaaponderzoek
Discover more examples and insights in this category.
View All Slaaponderzoek