Resultaten van je slaaponderzoek: en nu dan?

Stel je voor: je ligt één nacht vol kabels, slangetjes en plakkers in een vreemd bed. De volgende ochtend gaat alles eraf, je krijgt een kop koffie, en dan... stilte. Weken later zit je tegenover een arts die begint over apneu-indexen, saturatiedalingen en REM-slaap. Je knikt braaf, maar ergens denk je: *zeg nou gewoon, slaap ik normaal of niet?* Die verwarring is eigenlijk heel logisch. Slaaponderzoek levert een enorme berg data op, maar die wordt zelden in gewone-mensen-taal uitgelegd. Terwijl juist dát het moment is waarop je wilt weten: hoe slecht is het, wat betekent dit voor mijn gezondheid, en wat kan ik eraan doen? En misschien nog belangrijker: verklaart dit eindelijk waarom ik al zo lang zo moe ben? In dit artikel lopen we stap voor stap door de belangrijkste onderdelen van de uitslag van een slaaponderzoek. Niet vanuit het perspectief van de arts, maar vanuit jou als patiënt. Wat staat er nou eigenlijk in zo’n verslag, wat is normaal, wanneer moet je je zorgen maken en wanneer valt het best wel mee? En ja: we gaan het ook hebben over die beruchte AHI, zuurstofdalingen en “slechte slaapefficiëntie”.
Written by
Jamie
Published

Waarom de uitslag vaak voelt als hogere wiskunde

De meeste mensen krijgen hun slaaponderzoek terug in de vorm van een verslag van een longarts, neuroloog of KNO-arts. Vol vaktermen, tabellen en afkortingen. De arts vat het mondeling meestal samen in een paar zinnen: “U heeft matig tot ernstig slaapapneu” of “Uw slaap is flink gefragmenteerd, maar geen duidelijke apneu.”

Dat klinkt duidelijk, maar zodra je thuis bent met de papieren in je hand, begint het vaak te jeuken. Wat betekent dat getal 32 per uur? Is dat nou dramatisch, of valt het eigenlijk nog mee? En hoe erg is zo’n zuurstofdip naar 88 procent?

Neem Karin, 49 jaar. Ze kreeg te horen dat ze “matig slaapapneu” had. Ze dacht: oké, dus niet heel erg. Tot ze het verslag las en zag dat haar AHI 27 was, met tientallen zuurstofdalingen per uur. Pas toen iemand haar rustig uitlegde wat die getallen betekenen, viel het kwartje: haar klachten waren niet “tussen de oren”, haar lichaam had al jaren elke nacht topsport geleverd.

Kortom: de cijfers uit slaaponderzoek zijn geen versiering. Ze vertellen het verhaal van jouw nacht. Maar dan moet je wel weten hoe je ze moet lezen.

De kern van elk slaaponderzoek: welke metingen zijn gedaan?

Niet ieder slaaponderzoek is hetzelfde. Globaal zijn er drie varianten die je in Nederland en België veel ziet:

  • Een volledig slaaponderzoek in het ziekenhuis (polysomnografie): meting van hersenactiviteit (EEG), ademhaling, hartslag, zuurstof, spieractiviteit, oogbewegingen en vaak ook video.
  • Een thuis-slaaponderzoek (polygrafie): vooral gericht op ademhaling en zuurstof, meestal zonder hersenactiviteit.
  • Een actigrafie: een soort geavanceerde slaaptracker via een horloge-achtig apparaat, vooral voor ritmeproblemen.

Hoe uitgebreider het onderzoek, hoe meer cijfers je terugziet. Maar in bijna elk verslag keren een paar vaste onderdelen terug. Dat zijn de bouwstenen van je uitslag.

Slaapefficiëntie: hoeveel van je tijd in bed slaap je echt?

Slaapefficiëntie klinkt nogal technisch, maar het is eigenlijk een simpel percentage: hoeveel van de tijd dat je in bed lag, was je daadwerkelijk in slaap.

Stel: je lag 8 uur in bed en sliep 6 uur. Dan is je slaapefficiëntie 75 procent. In een verslag zie je bijvoorbeeld:

Slaapefficiëntie: 72%

In grote lijnen kun je zo kijken:

  • Rond de 85 tot 90 procent of hoger: vaak prima, zeker in een vreemde omgeving.
  • Tussen 75 en 85 procent: wat minder, kan passen bij inslaapproblemen of vaak wakker worden.
  • Lager dan 75 procent: nou ja, dat is meestal niet geweldig en wijst op flink verstoorde slaap.

Belangrijk: tijdens een slaaponderzoek slaap je bijna nooit zoals thuis. Veel mensen slapen korter en onrustiger. Een wat lagere slaapefficiëntie in het lab zegt dus niet automatisch dat je thuis ook zo slecht slaapt, maar het geeft wel een indruk van hoe kwetsbaar je slaap is.

Slaapstadia: krijg je genoeg diepe en REM-slaap?

In een volledig slaaponderzoek wordt je slaap opgedeeld in:

  • N1: lichte slaap
  • N2: iets diepere lichte slaap
  • N3: diepe slaap (herstelslaap voor lichaam en immuunsysteem)
  • REM-slaap: droomslaap, belangrijk voor geheugen en emotionele verwerking

In het verslag zie je vaak zoiets als:

N3: 12% van totale slaaptijd
REM: 18% van totale slaaptijd

Grofweg zie je bij gezonde volwassenen vaak dat diepe slaap en REM-slaap elk ergens rond de 15 tot 25 procent zitten, maar dat verschilt per leeftijd. Jonge mensen hebben meestal meer diepe slaap, boven de 60 neemt die vaak duidelijk af.

Waar moet je op letten?

  • Heel weinig diepe slaap: kan passen bij pijn, veel wakker worden, slaapapneu, gebruik van bepaalde medicijnen of alcohol.
  • Weinig REM-slaap: kan samenhangen met antidepressiva, alcohol, ernstige slaapfragmentatie of bepaalde neurologische aandoeningen.

Neem Mark, 35 jaar. Hij was vooral bang voor apneu. De arts zei: “Geen apneu, onderzoek is geruststellend.” Maar in zijn verslag stond dat hij vrijwel geen REM-slaap haalde en enorm veel korte ontwakingen had. De verklaring lag uiteindelijk in hevige stress en laat-avondschermen. Zijn probleem was dus wél echt, alleen niet ademhalingsgerelateerd.

De beroemde AHI: hoeveel ademstops per uur?

Bij onderzoek naar slaapapneu draait veel om de AHI: Apneu-Hypopneu Index. Dat is het gemiddelde aantal ademstops (apneus) en bijna-ademstops (hypopneus) per uur slaap.

De arts zegt dan iets als: “U heeft een AHI van 32, dat valt in de categorie ernstig.” Maar wat betekent dat nou in praktijk?

Een AHI van 32 betekent dat je gemiddeld 32 keer per uur een duidelijke ademhalingsverstoring hebt. Dat is dus ongeveer elke 2 minuten. Niet alleen vervelend, maar ook een flinke belasting voor hart, bloedvaten en hersenen.

Globale indeling die vaak wordt gebruikt:

  • Minder dan 5: wordt meestal als normaal gezien.
  • 5 tot 15: lichte slaapapneu.
  • 15 tot 30: matige slaapapneu.
  • Boven 30: ernstige slaapapneu.

Let op: de ernst op papier en hoe rot jij je voelt, lopen niet altijd gelijk. Iemand met een AHI van 12 kan zich uitgeput voelen, terwijl een ander met 28 zich “best wel oké” voelt. Toch kijkt de arts ook naar de medische risico’s op langere termijn.

Meer info over slaapapneu en de AHI vind je bijvoorbeeld bij Thuisarts:
https://www.thuisarts.nl/apneu-bij-slapen

Zuurstofdalingen: wat doet je lichaam tijdens die ademstops?

Bij een slaaponderzoek wordt vaak je zuurstofgehalte in het bloed gemeten via een sensor op je vinger. In het verslag zie je dan iets als:

Gemiddelde saturatie: 95%
Laagste saturatie: 82%
Aantal desaturaties >3%: 120

In rust overdag zit een gezond zuurstofgehalte meestal rond de 96 tot 99 procent. Tijdens de slaap mogen er best wat kleine schommelingen zijn. Maar herhaalde, forse dalingen zijn een ander verhaal.

Waar let de arts op?

  • Hoe diep zakken de dalingen? (bijvoorbeeld onder de 90 procent, of zelfs onder de 85)
  • Hoe vaak gebeurt dat per uur?
  • Hoe lang duurt zo’n daling?

Karel, 61 jaar, had een AHI van “maar” 14. Dus lichte apneu. Maar zijn zuurstof daalde regelmatig tot 80 procent. Op basis van alleen de AHI leek het mee te vallen, maar de combinatie met flinke desaturaties gaf toch reden voor behandeling. Dit is precies waarom de arts verder kijkt dan één getal.

De Hersenstichting legt helder uit waarom zuurstof en hersenen zo nauw samenhangen:
https://www.hersenstichting.nl/hersenaandoeningen/slaapstoornissen/

Ontwakingen en micro-ontwakingen: waarom je moe wakker wordt

Je kunt acht uur in bed liggen en toch gesloopt wakker worden. Dat komt vaak doordat je slaap vol zit met kleine onderbrekingen. In een slaaponderzoek heten dat arousals of micro-ontwakingen.

In het verslag zie je bijvoorbeeld:

Arousal-index: 32/uur

Dat betekent dat je gemiddeld 32 keer per uur een korte verstoring van je slaap hebt. Vaak merk je dat niet eens bewust. Je wordt niet volledig wakker, maar je hersenen schieten wel uit de diepere slaap. Het gevolg: je haalt je herstelslaap niet lekker.

Oorzaken van zo’n hoge arousal-index kunnen zijn:

  • Slaapapneu of snurken
  • Periodieke beenbewegingen (PLMS)
  • Pijn, jeuk, reflux
  • Omgevingsgeluid of licht
  • Stress en hyperalertheid

Bij Lisa, 28 jaar, leek er “niets bijzonders” aan de hand volgens de eerste uitleg. Geen apneu, zuurstof prima. Maar haar arousal-index was meer dan 40 per uur en ze had vrijwel geen diepe slaap. Toen er verder gekeken werd, bleek ze ernstige rusteloze benen te hebben en een ijzertekort. Zonder het slaaponderzoek was dat waarschijnlijk nog lang niet ontdekt.

Beenbewegingen: onrust in je benen, onrust in je slaap

Veel mensen schrikken als ze in hun verslag iets lezen als:

PLM-index: 28/uur

PLM staat voor Periodic Limb Movements, herhaalde bewegingen van vooral de benen tijdens de slaap. Dat zijn geen onschuldige “kleine schopjes” als ze je slaap steeds weer verstoren.

Niet iedereen met veel PLM heeft klachten, maar als je:

  • vaak moe wakker wordt,
  • je bedpartner klaagt over schoppende benen,
  • of zelf onrustige benen hebt bij het inslapen,

...dan kan zo’n hoge PLM-index best wel belangrijk zijn. Het kan passen bij het Restless Legs Syndroom of bij tekorten (zoals ijzer) of bij bepaalde medicijnen.

Meer achtergrond over rusteloze benen en slaap vind je bijvoorbeeld bij Gezondheidsnet:
https://www.gezondheidsnet.nl/slaapproblemen

Waarom “alles is normaal” soms toch niet zo geruststellend voelt

Een frustrerend scenario: je voelt je al jaren doodmoe, krijgt eindelijk een slaaponderzoek, en dan zegt de arts: “Het onderzoek is normaal.” Punt.

Dat kan twee dingen betekenen:

  1. Er is écht geen duidelijke slaapstoornis zoals apneu, ernstige PLMS of narcolepsie.
  2. Er is wél iets te zien, maar het valt binnen de medische marges en wordt als niet-ernstig beoordeeld.

In beide gevallen blijft de vraag: waarom ben ik dan zo moe?

Hier gaat het gesprek soms mis. Want een normaal slaaponderzoek betekent niet automatisch dat je je klachten moet wegwuiven. Het kan bijvoorbeeld betekenen dat:

  • je slaap vooral verstoord wordt door stress, piekeren of een onregelmatig ritme,
  • er een andere lichamelijke oorzaak is (bloedarmoede, schildklier, hartproblemen),
  • of dat er sprake is van een aandoening als chronische vermoeidheid, waarbij slaaponderzoek vaak geen spectaculaire afwijkingen laat zien.

Wees dus niet bang om door te vragen: "Als mijn slaaponderzoek normaal is, wat is dan volgens u de volgende stap?"

Hoe je samen met je arts naar de cijfers kunt kijken

Je hoeft geen mini-longarts te worden om je slaapverslag te begrijpen, maar een paar gerichte vragen helpen enorm. Bijvoorbeeld:

  • Hoeveel uur heb ik daadwerkelijk geslapen tijdens het onderzoek?
  • Hoe was de verdeling tussen lichte slaap, diepe slaap en REM-slaap?
  • Hoeveel ademstops of bijna-stops had ik per uur, en hoe diep zakte mijn zuurstof?
  • Waren er veel korte ontwakingen? Waardoor kwamen die waarschijnlijk?
  • Ziet u in dit onderzoek een verklaring voor mijn klachten overdag?

En heel belangrijk: "Wat betekent dit voor mijn gezondheid op de lange termijn als ik niets doe?" Dat geeft vaak veel meer helderheid dan alleen een label als “licht” of “matig”.

Op Thuisarts vind je goede uitleg over hoe artsen naar slaapklachten en onderzoek kijken:
https://www.thuisarts.nl/slaapproblemen

Wanneer de uitslag leidt tot behandeling

Afhankelijk van de resultaten kan je arts verschillende dingen voorstellen. Denk aan:

  • Bij duidelijke slaapapneu: CPAP-apparaat, MRA-beugel, soms operatie of gewichtsreductie.
  • Bij veel beenbewegingen: bloedonderzoek (ijzer), aanpassing van medicatie, soms specifieke medicatie.
  • Bij sterk gefragmenteerde slaap zonder apneu: slaaphygiëne, cognitieve gedragstherapie voor insomnia (CGT-i), aanpak van stress of pijn.

Het slaaponderzoek is dus geen eindpunt, maar een startpunt. Het vertelt wat er gebeurt tijdens je slaap, maar de keuze wat je eraan doet maak je samen met je arts.

Voor meer achtergrond over verschillende slaapstoornissen kun je ook kijken bij het Slaapinstituut:
https://www.slaapinstituut.nl/

Veelgestelde vragen over resultaten van slaaponderzoek

1. Mijn AHI is “maar” 7, maar ik ben extreem moe. Wordt dat dan gewoon genegeerd?
Niet per se. Een AHI tussen 5 en 15 valt formeel in de categorie lichte slaapapneu, maar jouw klachten tellen ook mee. Als je ernstig beperkt bent in je dagelijks functioneren, of als je andere risicofactoren hebt (zoals hoge bloeddruk, hartziekten), kan een arts toch behandeling overwegen of aanvullend onderzoek doen.

2. Hoe erg is een zuurstofdaling tot 88 procent tijdens de slaap?
Een enkele kortdurende daling is meestal geen ramp. Maar herhaalde, diepe dalingen kunnen op termijn belastend zijn voor hart en hersenen. De arts kijkt daarom niet alleen naar de laagste waarde, maar ook naar hoe vaak en hoe lang je onder de 90 procent zit, en in combinatie met andere factoren.

3. Kan mijn slaaponderzoek normaal zijn terwijl ik toch een slaapprobleem heb?
Ja. Vooral bij insomnie (moeilijk inslapen, doorslapen of te vroeg wakker worden) kan het onderzoek relatief normale patronen laten zien, terwijl jij je toch ellendig voelt. Dan zit het probleem vaak in de combinatie van gedrag, stress, verwachtingen en biologische factoren, niet in apneu of zuurstof.

4. Waarom sliep ik zo slecht tijdens het onderzoek? Maakt dat de uitslag onbetrouwbaar?
Bijna iedereen slaapt slechter dan normaal tijdens de meting. Artsen weten dat en houden daar rekening mee. Als je echt nauwelijks geslapen hebt (bijvoorbeeld minder dan 2 tot 3 uur), kan het zijn dat het onderzoek niet goed beoordeelbaar is en soms herhaald moet worden. Dat staat dan meestal expliciet in het verslag.

5. Mag ik om een kopie van mijn slaapverslag vragen?
Ja, dat mag. In Nederland en België heb je recht op inzage in je medisch dossier, dus ook in het volledige slaapverslag. Het is juist verstandig om het thuis nog eens rustig door te lezen en eventuele vragen bij een vervolgafspraak te stellen.


Als je net je slaaponderzoek achter de rug hebt en je zit met een verslag vol tabellen, probeer dan vooral dit: zie het als een verhaal over wat er ‘s nachts met jou gebeurt. De cijfers zijn geen oordeel over wie je bent, maar een hulpmiddel om te begrijpen waarom je je overdag voelt zoals je je voelt. En als de uitleg die je kreeg nog wat mager was, is het helemaal oké om te zeggen: “Leg het me nog een keer uit, maar dan in gewone taal.”

Explore More Slaaponderzoek

Discover more examples and insights in this category.

View All Slaaponderzoek