Waarom slapen met autisme zelden vanzelf gaat

Stel je voor: je ligt doodmoe in bed, het is stil, het licht is uit, maar je brein staat nog op standje bouwplaats. Elk geluid voelt als een sirene, elk vouwtje in je dekbed als schuurpapier. En dan zegt iemand: "Je moet gewoon op tijd naar bed gaan." Ja, als het zó simpel was. Voor veel mensen met autisme is slaap geen rustige afsluiting van de dag, maar een dagelijkse hindernisbaan. Moeite met inslapen, vaak wakker worden, extreem vroeg wakker zijn, of juist helemaal vastplakken aan een verstoord ritme: het komt allemaal opvallend vaak voor. En nee, dat is geen kwestie van "gewoon even goed uitrusten in het weekend". In dit artikel duiken we in de wereld van autisme en slaap. Waarom gaat slapen zo vaak mis bij autisme? Wat zie je in de praktijk bij kinderen, jongeren en volwassenen? En vooral: wat kun je nou ja, in het echte leven, wél doen om de nachten een beetje leefbaar te maken? Geen magische oplossingen, wel eerlijke uitleg, herkenbare voorbeelden en concrete handvatten waar je vandaag nog mee kunt experimenteren.
Written by
Jamie
Published

Bij mensen met autisme wordt slaapgedoe vaak afgedaan als: te veel schermtijd, slechte discipline, te laat naar bed. Maar als je iets dieper kijkt, zie je een patroon dat veel breder is dan alleen gedrag.

Onderzoek laat zien dat een groot deel van de mensen met autisme slaapproblemen heeft. Schattingen lopen uiteen, maar het gaat om grofweg de helft tot zelfs driekwart. Dat is niet zomaar “komt wel eens voor”. Dat is een rode draad.

En die rode draad heeft meestal meerdere draden tegelijk:

  • een brein dat moeilijk kan schakelen van “aan” naar “uit”
  • over- of juist ondergevoeligheid voor prikkels
  • een biologische klok die net anders lijkt te lopen
  • meer angst, piekeren en spanning rond de dag

Daar bovenop komen dan nog de bekende boosdoeners als schermen, onregelmatige bedtijden en stress. Het is dus vaak én én én.

Hoe ziet dat er in het echte leven uit?

Neem Eva, 9 jaar. Ze is slim, nieuwsgierig en kan zich helemaal vastbijten in dinosaurussen. Maar elke avond is het strijd. Ze kan niet stoppen met denken, het licht moet precies goed zijn, het dekbed mag niet kriebelen en als haar broer de wc doortrekt, is ze weer klaarwakker. Tegen de tijd dat ze slaapt, zijn haar ouders gesloopt.

Of Sam, 28 jaar, softwareontwikkelaar. Overdag functioneert hij ogenschijnlijk prima, maar hij valt pas rond 2 of 3 uur ‘s nachts in slaap. Zijn hoofd blijft draaien: gesprekken van de dag, zorgen over werk, geluiden van de straat. Om 7 uur gaat de wekker. Hij leeft eigenlijk permanent op slaaptekort en vraagt zich af waarom hij zo snel overprikkeld raakt.

En dan heb je nog kinderen als Noor, 14 jaar, die elke nacht om 4 uur klaarwakker is. Niet bang, niet nachtmerrie, gewoon... wakker. Haar ouders hebben al van alles geprobeerd: later naar bed, vroeger naar bed, geen schermen, wel schermen, melatonine. Niets lijkt echt stabiel te werken.

Deze verhalen verschillen, maar de onderliggende thema’s zijn opvallend vergelijkbaar.

Waarom het brein bij autisme zo lastig “uit” gaat

Veel mensen met autisme beschrijven hun hoofd als “altijd aan”. Alsof er geen uitknop is, hooguit een pauzeknop die af en toe hapert.

Een paar dingen spelen daarbij vaak een rol:

  • Moeite met schakelen: overdag in de actiestand, ‘s avonds ineens moeten ontspannen. Dat is voor veel mensen lastig, maar bij autisme is die overgang vaak nog stroever.
  • Detailgericht denken: gesprekken, situaties, fouten, alles wordt herhaald en geanalyseerd. Handig op werk of school, rampzalig als je wilt slapen.
  • Voorspelbaarheid: de dag is vaak vol onverwachte dingen. Tegen de avond komt dan de “verwerking”. Juist op het moment dat je eigenlijk wilt afbouwen.

Je ziet dit terug in het naar bed gaan: kinderen die ineens druk worden, volwassenen die juist vlak voor bedtijd nog even willen gamen of werken, omdat dat de enige manier is om alle gedachten te dempen.

Prikkels: als je zintuigen niet meewerken met slapen

Slaap en prikkelverwerking zijn dikke vrienden. Als je brein prikkels slecht kan filteren, is ontspannen in een slaapkamer best wel een uitdaging.

Veel mensen met autisme herkennen dit:

  • geluiden die voor anderen “achtergrond” zijn, komen bij jou keihard binnen
  • licht van een straatlantaarn door het gordijn is niet “een beetje irritant”, maar echt storend
  • een labeltje in je pyjama kan je compleet uit je slaap houden
  • de overgang van de ene temperatuur naar de andere voelt extreem

Voor een buitenstaander lijkt dat soms overdreven. Maar het is geen aanstellerij, het is een andere manier waarop het brein prikkels verwerkt.

Bij jonge kinderen zie je vaak dat ze nog een speen, knuffel of heel strak ingestopt dekbed nodig hebben om zich veilig te voelen. Bij oudere kinderen en volwassenen verschuift dat naar oordoppen, verzwaringsdekens, verduisteringsgordijnen, vaste rituelen.

De biologische klok die nét anders tikt

Er is nog iets interessants: de interne klok. Bij autisme lijkt die vaker ontregeld te zijn.

Sommige mensen hebben een verschoven ritme: ze worden pas laat slaperig en zouden het liefst tot in de ochtend doorslapen. Dat is niet gewoon “avondmens”, maar echt structureel anders. Anderen worden juist extreem vroeg wakker en kunnen niet meer terug de slaap in.

Daarnaast wordt er veel gesproken over melatonine, het hormoon dat je lichaam helpt om in de slaapstand te komen. Bij een deel van de mensen met autisme lijkt de aanmaak of timing van melatonine anders te verlopen. Niet bij iedereen, maar vaak genoeg om op te vallen in onderzoek.

Dat verklaart waarom standaard adviezen als “ga gewoon wat eerder naar bed” vaak totaal niet werken. Als je interne klok nog op “middag” staat, kun je wel in bed gaan liggen, maar slapen ho maar.

Slaapproblemen bij kinderen met autisme

Bij kinderen zie je een paar terugkerende patronen:

  • Moeite met inslapen: het bedtijdritueel loopt uit, nog een vraag, nog een knuffel, nog een slok water, nog een keer plassen. Niet per se manipulatief, maar vaak echt onvermogen om te schakelen.
  • Nachtelijk wakker worden: kinderen die meerdere keren per nacht wakker zijn en dan vaak begeleiding nodig hebben om weer te slapen.
  • Heel vroeg wakker: klaarwakker om 4 of 5 uur, vol energie, terwijl de ouders nog half in coma liggen.

Bij jonge kinderen wordt dat nogal eens weggezet als “zo zijn kinderen nu eenmaal”. Maar als het structureel is en samenloopt met andere signalen van autisme, is het goed om het serieus te nemen. Slaaptekort beïnvloedt gedrag, concentratie, eetlust, alles.

Ouders vertellen vaak dat het gedrag overdag veel “autistischer” lijkt als de nachten slecht zijn: meer prikkelbaar, sneller over de rooie, minder flexibel. Dat is niet zo gek: een moe brein kan gewoon minder hebben.

En bij volwassenen? Slaaptekort stapelt zich op

Bij volwassenen met autisme zie je vaak een ander beeld. Minder zichtbaar voor de buitenwereld, maar minstens zo belastend.

Veel volwassenen hebben al jaren een verstoord ritme. Ze kennen zichzelf als “iemand die slecht slaapt” en nemen dat voor lief. Maar ondertussen:

  • neemt de concentratie af
  • worden prikkels sneller te veel
  • neemt het risico op somberheid en angst toe
  • gaat het functioneren op werk of studie langzaam achteruit

Sommigen redden het nog net door in het weekend bij te slapen of door heel strak te plannen. Anderen vallen uit op werk, raken overspannen of belanden in een burn-out. Niet alleen door slaap, maar slaap speelt wel een grote rol in hoe belastbaar je bent.

Ook zie je bij volwassenen vaker een combinatie met andere dingen: angststoornissen, depressie, ADHD. Die hebben op zichzelf al invloed op slaap, en samen met autisme wordt het al snel een ingewikkeld geheel.

Waarom standaard slaapadviezen vaak tekortschieten

Google “beter slapen” en je krijgt overal hetzelfde rijtje: geen schermen voor het slapengaan, vaste bedtijd, geen koffie na 4 uur, donkere kamer. Allemaal prima adviezen, maar bij autisme is dat vaak pas het begin.

Het probleem is dat veel adviezen geen rekening houden met:

  • extreme gevoeligheid voor prikkels
  • moeite met verandering en nieuwe routines
  • een brein dat niet vanzelf tot rust komt

Zeggen tegen iemand met autisme: “Je moet gewoon ontspannen” is een beetje alsof je tegen iemand zonder benen zegt: “Je moet gewoon even een stukje gaan hardlopen.” Het mist net een paar stappen ertussen.

Wat wél helpt: denken in laagjes, niet in trucjes

Er is geen magische tip, maar er zijn wel strategieën die in de praktijk vaak verschil maken. Belangrijkste: niet alles tegelijk willen, maar laagje voor laagje kijken wat haalbaar is.

1. De dag voorbereiden op de nacht

Slaap begint niet om 22.30 uur, maar eigenlijk al bij het opstaan. Zeker bij autisme helpt het als de hele dag iets voorspelbaarder en rustiger wordt ingericht.

Denk aan:

  • vaste tijden voor opstaan, eten en naar bed gaan, ook in het weekend
  • voldoende daglicht in de ochtend (bijvoorbeeld een wandeling)
  • beweging overdag, maar niet vlak voor bedtijd nog keihard sporten

Voor sommige kinderen en volwassenen werkt het goed om de dag visueel te maken: een dagplanning met pictogrammen of een simpel schema. Niet om alles rigide te maken, maar om het brein minder te laten gissen.

2. De overgang naar de avond minder abrupt maken

Veel mensen met autisme hebben een “landingstijd” nodig. Je kunt niet van gamen, huiswerk of werkvergaderingen in één klap naar slapen.

Een rustige avondroutine kan helpen, maar dan wel eentje die echt past bij de persoon. Voor de één is dat lezen, voor de ander tekenen, voor weer een ander een warme douche en een podcast met rustige stem.

Belangrijk is dat die routine voorspelbaar is en zo min mogelijk prikkels toevoegt. Dus geen spannende series, geen drukke gesprekken over problemen, geen fel licht.

3. De slaapkamer prikkelarm én vertrouwd maken

Voor veel mensen met autisme is de slaapkamer geen neutrale plek, maar óf te vol prikkels, óf juist te leeg en daardoor onveilig.

Wat vaak onderzocht wordt:

  • geluid: oordoppen, white noise, een ventilator, dubbele gordijnen
  • licht: verduisteringsgordijnen, geen felle klok, eventueel een heel zacht nachtlampje
  • gevoel: zacht beddengoed zonder kriebelende labels, eventueel een verzwaringsdeken

Een verzwaringsdeken voelt voor sommige mensen als een soort “knuffel” voor het lichaam: meer druk, meer begrenzing, minder onrust. Niet iedereen vindt het fijn, maar bij een deel helpt het echt om het lijf rustiger te maken.

4. Omgaan met piekeren en overdenken

Bij kinderen kan het helpen om een vast moment eerder op de avond te hebben om zorgen te bespreken. Niet in bed, maar bijvoorbeeld na het eten: “Is er nog iets waar je over piekert?” Daarna kun je het letterlijk parkeren: opschrijven, boekje dicht, morgen weer verder.

Bij jongeren en volwassenen werkt soms een combinatie van:

  • gedachten opschrijven voor het slapengaan
  • ontspanningsoefeningen, zoals rustige ademhaling
  • een podcast of audioboek dat net genoeg afleidt, maar niet te spannend is

Sommige mensen met autisme hebben baat bij cognitieve gedragstherapie specifiek gericht op slapeloosheid (CGT-i), aangepast aan hun manier van denken. Dat is iets om met een behandelaar te bespreken.

5. Medicatie en melatonine: met beleid, niet op de gok

Melatonine is populair, zeker bij kinderen met autisme. Maar het wordt ook nogal eens lukraak ingezet: verkeerde dosering, verkeerde timing, zonder goede begeleiding.

Bij autisme kan melatonine helpen, vooral als er echt sprake is van een verschoven ritme. Maar:

  • het werkt niet bij iedereen
  • te hoge doseringen kunnen juist averechts werken
  • het is geen vervanging voor een goed ritme en een rustige omgeving

Als je melatonine overweegt, doe dat dan altijd in overleg met een arts of een specialist in slaap. Op sites als Thuisarts en Hersenstichting vind je betrouwbare basisinformatie. Voor kinderen is het extra belangrijk om niet zelf te gaan experimenteren.

Over andere slaapmedicatie (zoals benzodiazepinen of zwaardere slaapmiddelen) zijn artsen meestal terughoudend, juist omdat gewenning en bijwerkingen op de loer liggen. Soms wordt het tijdelijk ingezet, maar dan altijd als onderdeel van een groter plan.

De impact op ouders, partners en het hele gezin

Slaapproblemen bij autisme raken zelden maar één persoon. Ouders van kinderen met autisme draaien vaak jaren nachtdiensten zonder daar ooit formeel voor te hebben gekozen.

Je ziet dan:

  • ouders die zelf chronisch oververmoeid raken
  • spanningen in het gezin over bedtijd en regels
  • broers en zussen die ook wakker worden en minder aandacht krijgen

Bij partners van volwassenen met autisme speelt weer iets anders: gescheiden slaapkamers, frustratie over verschillende ritmes, weinig gezamenlijke avondrust.

Het helpt als hulpverleners niet alleen naar het slapen van de persoon met autisme kijken, maar ook naar de belasting van het systeem eromheen. Soms is het al winst als ouders één of twee nachten per week kunnen doorslapen, bijvoorbeeld door logeren of respijtzorg.

Wanneer is het tijd om hulp te zoeken?

De korte versie: liever te vroeg dan te laat. Een paar nachten slecht slapen is normaal. Maar als je merkt dat het maanden of jaren aanhoudt en dat het functioneren overdag er serieus onder lijdt, is het verstandig om verder te kijken.

Signalen om serieus te nemen:

  • een kind dat structureel minder dan verwacht slaapt voor de leeftijd én overdag erg prikkelbaar of uitgeput is
  • een tiener of volwassene die zonder wekker niet meer opstaat, of juist standaard veel te vroeg wakker is
  • duidelijke samenhang tussen slechte nachten en gedrag, somberheid of overprikkeling

Startpunt is meestal de huisarts. Die kan meedenken, lichamelijke oorzaken uitsluiten en zo nodig doorverwijzen, bijvoorbeeld naar een kinderarts, een slaapcentrum of een GGZ-instelling met kennis van autisme.

Betrouwbare informatie over slaap en gezondheid vind je onder meer bij Gezondheidsnet en bij gespecialiseerde slaapcentra zoals het Nederlands Slaapinstituut.

Veelgestelde vragen over autisme en slaap

Is slecht slapen onderdeel van autisme, of “erbij gekomen”?

Slecht slapen staat niet als los criterium in de diagnosebeschrijving van autisme, maar komt wel opvallend vaak voor. Het is dus geen toeval, maar ook niet automatisch “hoort erbij, dus laat maar”. Het is een serieus aandachtspunt dat behandeling verdient.

Groeit een kind met autisme vanzelf over slaapproblemen heen?

Soms zie je verbetering als kinderen ouder worden en meer woorden, inzicht en eigen strategieën krijgen. Maar veel mensen nemen hun slaappatroon mee de volwassenheid in. Wachten tot iemand er “overheen groeit” is daarom meestal geen handig plan.

Helpt een verzwaringsdeken altijd bij autisme?

Nee. Sommige mensen ervaren meer rust en veiligheid, anderen vinden het juist benauwend of te warm. Het is dus echt uitproberen. Let bij kinderen op dat het gewicht past bij het lichaamsgewicht en leeftijd. Overleg bij twijfel met een ergotherapeut of behandelaar.

Zijn schermen altijd slecht voor de slaap bij autisme?

Schermen vlak voor het slapengaan kunnen de slaap bemoeilijken, onder meer door blauw licht en door mentale activatie. Tegelijk gebruiken veel mensen met autisme schermen juist om te ontspannen. Het gaat dus om balans: liever geen fel, interactief scherm in bed, maar een rustige serie of luisterboek iets eerder op de avond kan soms juist helpen.

Hoe weet ik of melatonine voor mij of mijn kind geschikt is?

Dat kun je niet goed inschatten zonder medische begeleiding. Een arts kan met je meekijken naar het ritme, de slaaptijden en mogelijke andere oorzaken. Gebruik melatonine niet langdurig op eigen houtje. Op Thuisarts lees je meer over de algemene voor- en nadelen.


Autisme en slaap vormen samen een lastige combinatie, maar geen hopeloze. Het vraagt alleen om iets meer maatwerk, geduld en eerlijk kijken naar wat er in de praktijk gebeurt. Geen perfecte nachten als doel, maar nachten die nét genoeg herstel geven om de dag weer aan te kunnen. En dat is, zeker bij autisme, al een enorme winst.

Explore More Mentale Gezondheid

Discover more examples and insights in this category.

View All Mentale Gezondheid