Help, mijn peuter blijft uit bed komen (en ik wil ook slapen)
Waarom peuters ineens ‘honderd keer’ uit bed komen
Peuters en kleuters zijn net kleine wetenschappers. Ze testen. Grenzen, regels, jouw geduld – alles. En bedtijd is daar eigenlijk een ideaal moment voor.
Overdag is er vaak duidelijkheid: je gaat naar de opvang, je speelt, je eet. Maar ’s avonds? Donker, stilte, je gaat weg uit de kamer. Best wel spannend. En precies dan ontdekt je kind: hé, als ik iets zeg, komt papa of mama terug. Interessant.
Daar komt nog iets bij: rond 2 à 3 jaar krijgen kinderen meer verbeeldingskracht. Dat is leuk voor spel (“ik ben een draak!”), maar ’s avonds betekent het soms ook monsters onder het bed, schaduwen aan de muur en “enge dromen” nog voordat ze slapen.
En ja, er is nog een reden: aandacht. Niet omdat je kind ‘manipuleert’ in de volwassen betekenis, maar omdat jij het allerbelangrijkste ‘veiligheidsanker’ bent. Dus als je kind twijfelt, moe is, overprikkeld, of zich gewoon even niet zo lekker voelt, dan is bij jou willen zijn eigenlijk heel logisch.
Hoe ziet dat er in het echt uit?
Neem Lotte, 3 jaar. Normaal gaat ze redelijk naar bed, maar sinds ze naar een nieuwe peutergroep gaat, is het drama. Eerst zegt ze dat ze nog dorst heeft. Als ze drinken heeft gehad, moet ze ineens nog plassen. Daarna is ze bang voor de schaduw van de kast. En als dat is opgelost, wil ze weten waar haar knuffelbeer van vroeger is – die al maanden niet in haar bed lag.
Haar ouders merken dat ze elke avond langer bezig zijn. Ze gaan steeds meer uitleggen, troosten, nog een keer knuffelen, nog een keer instoppen. Uiteindelijk ligt Lotte pas om 21.00 uur. Iedereen is moe en lichtelijk chagrijnig.
Is Lotte lastig? Nee. Ze zit midden in een grote verandering (nieuwe groep), heeft meer spanning in haar lijf en hoofd, en heeft ontdekt dat “nog één dingetje” een manier is om haar ouders dichtbij te houden.
Dat zie je vaker bij kinderen die:
- net naar de opvang of school zijn gegaan
- een broertje of zusje hebben gekregen
- verhuisd zijn
- overdag erg drukke of spannende dagen hebben
Ze lopen dan eigenlijk een beetje achter met verwerken. En dat komt er ’s avonds uit.
Wat bijna nooit helpt (ook al doen we het allemaal)
Laten we heel eerlijk zijn. Er zijn een paar dingen die we als ouders bijna allemaal doen, omdat we moe zijn en gewoon willen dat het stopt. En ik zeg er maar meteen bij: je bent niet ‘slecht’ als je dit herkent. Het is gewoon menselijk.
1. Steeds langere discussies voeren
“Waarom moet ik eigenlijk slapen?”
“Je moet uitrusten, anders ben je morgen moe.”
“Maar ik ben niet moe.”
“Jawel, je bent wél moe, kijk maar naar je ogen.”
Voor je het weet, ben je filosoof geworden in plaats van ouder. Probleem: je kind krijgt aandacht (yes!), jij raakt gefrustreerd, en slapen komt geen stap dichterbij.
2. Dreigen met straf waar je toch niet achter staat
“Als je er nu nog één keer uitkomt, gaat je knuffel weg.”
Grote kans dat je dat eigenlijk niet meent. Je kind voelt dat ook. Daardoor worden grenzen vaag en voelt niemand zich er beter door.
3. Toegeven uit pure moeheid
Je kent ‘m vast: “Oké, dan nog één verhaaltje, maar dan écht slapen.” En dan wordt dat nog een keer. En nog een keer.
Dit is niet omdat je slap bent, maar omdat je brein op is. Alleen: je kind leert zo dat ‘nog één keer’ dus rekbaar is. En dat maakt de volgende avond weer lastiger.
Wat wél werkt: een duidelijk, rustig avondplan
Kinderen slapen beter als ze weten wat er komt. Voorspelbaarheid geeft veiligheid. En veiligheid geeft ontspanning. Nou ja, meestal dan.
Een avondplan hoeft niet ingewikkeld te zijn. Sterker nog: hoe simpeler, hoe beter.
Denk aan een vaste volgorde zoals: opruimen – pyjama – tandenpoetsen – plassen – boekje lezen – knuffel – licht uit.
Het helpt om die volgorde altijd hetzelfde te houden. Je kunt het eventueel tekenen of met pictogrammen ophangen, zodat je kind het ‘schema’ ziet. Dan kun je rustig zeggen: “Kijk, we zijn nu bij het boekje. Wat komt daarna?”
De magische zin: “Dit is de laatste keer” (maar dan écht)
Kies van tevoren wat jij acceptabel vindt. Bijvoorbeeld: na het instoppen kom je nog één keer terug als je kind roept. Of je geeft aan: “Je mag nog één vraag stellen, daarna is het tijd om te slapen.”
Belangrijk is dat je dat vervolgens ook echt volhoudt. Dus niet van:
“Dit is de laatste keer dat ik je instop.”
Tien minuten later
“Nou oké, nu dan écht de laatste keer.”
Je kind leert dan dat ‘laatste’ niet echt laatste is. Als je zegt: “Dit is de laatste keer dat ik nog even bij je kom zitten, daarna ga ik beneden opruimen,” dan moet dat ook kloppen.
De ‘uit-bed-blijf’-strategie: consequent, maar vriendelijk
Een veelgebruikte aanpak (die je bijvoorbeeld ook tegenkomt bij slaapcoaches) werkt ongeveer zo:
- Je brengt je kind naar bed volgens jullie vaste ritueel.
- Je zegt duidelijk: “Nu is het tijd om te slapen. Ik ben beneden. Als je me nodig hebt, ben ik daar.”
- Komt je kind eruit? Dan breng je het rustig en zo neutraal mogelijk terug.
En dan komt de lastigste stap: je houdt het kort.
Geen nieuwe discussie, geen nieuw verhaaltje. Je zegt bijvoorbeeld alleen:
“Het is bedtijd. Ik breng je terug naar bed.”
En dat herhaal je. Hoe vaak dan ook. De eerste avonden kunnen dat er veel zijn. Echt veel. Maar als jij rustig blijft en je boodschap hetzelfde, dan wordt het voor je kind saai. En dat is precies de bedoeling.
Neem Sam, 4 jaar. Zijn ouders besloten dit uit te proberen. De eerste avond kwam hij zeker twintig keer uit bed. Ze bleven rustig, brachten hem elke keer terug met dezelfde zin. De tweede avond waren het er nog acht. De derde avond drie. De vierde avond sliep hij na één keer roepen. Niet omdat hij ‘gebroken’ was, maar omdat de regel duidelijk werd.
Grenzen én warmte: het hoeft geen militair kamp te worden
Soms voelt consequent zijn een beetje hard. Alsof je geen ruimte meer hebt voor gevoelens. Maar dat hoeft helemaal niet.
Je kunt heel goed zeggen:
“Ik zie dat je het moeilijk vindt om in bed te blijven. Dat is niet fijn hè.”
“En toch is het nu bedtijd. Ik breng je terug naar bed.”
Je erkent het gevoel, maar je verandert de grens niet. Dat is precies wat jonge kinderen nodig hebben: iemand die zegt “ik snap je” én “ik blijf de volwassene”.
Overdag kun je extra aandacht geven, zeker als je merkt dat het bedtijdgedoe samenhangt met veranderingen of spanningen. Even tien minuten écht spelen zonder telefoon, of een vast ‘knuffelmoment’ na het avondeten. Hoe voller de ‘aandachtsbeker’ overdag, hoe minder er ’s avonds nog uit geput hoeft te worden.
Slim omgaan met alle smoesjes
Je kent ze vast:
- “Ik heb dorst.”
- “Ik moet nog plassen.”
- “Ik ben m’n knuffel kwijt.”
- “Ik heb honger.”
- “Ik ben bang voor de schaduw.”
In plaats van elke avond opnieuw verrast te zijn, kun je ze vóór zijn.
Vooraf ‘ontmijnen’
Voor het slapen gaan kun je samen een soort mini-check doen:
- Nog even plassen
- Nog wat drinken (klein beetje)
- Knuffels checken: zijn ze er allemaal?
- Nachtlampje aan, gordijnen goed, deur op een kier als je kind dat fijn vindt
Je kunt daar een vaste zin bij gebruiken: “We doen nu alles wat je nodig hebt. Daarna blijft je in bed.”
Komt je kind daarna alsnog met één van deze dingen? Dan kun je rustig zeggen:
“We hebben net alles gedaan. Nu blijft je in bed. Morgen doen we het weer samen.”
Bij echte angst (bijvoorbeeld voor monsters) kun je overdag samen ‘oefenen’: laten zien dat er niks is, een ‘magische anti-monsterspray’ maken met een leeg plantenspuitje met water, een vast zinnetje afspreken (“Monsters mogen hier niet wonen”). ’s Avonds houd je het kort.
Wanneer is het gewoon peutergedrag – en wanneer niet meer?
Dat uit bed komen hoort vaak bij een fase. Zeker rond 2–4 jaar is het bijna standaard. Maar er zijn situaties waarin het handig is om iets beter te kijken.
Let bijvoorbeeld op:
- Je kind slaapt al weken structureel heel weinig en is overdag extreem moe of heel ontregeld.
- Er is veel nachtangst, nachtmerries of paniek.
- Je kind lijkt pijn te hebben, vaak wakker te schrikken of erg onrustig te slapen.
Twijfel je? Op sites als Thuisarts of Gezondheidsnet vind je informatie over slaapproblemen bij kinderen en wanneer je beter even met de huisarts kunt overleggen.
Hoe lang duurt het voordat het werkt?
De vraag die iedereen eigenlijk wil stellen: hoe snel is dit voorbij?
Dat verschilt per kind, maar vaak zie je binnen een paar dagen tot een week al verbetering als je:
- een vast avondritueel hebt,
- duidelijke, rustige grenzen stelt,
- consequent bent in hoe je reageert.
De eerste avonden kunnen pittig zijn. Je kind denkt ongeveer: “Hé, waarom werkt mijn oude strategie niet meer?” en gooit er nog een schepje bovenop. Dat is geen teken dat het niet werkt, maar juist dat er iets verandert.
Daarom is het handig om dit soort veranderingen te plannen op een moment dat jullie zelf niet al compleet op omvallen staan. Dus misschien niet precies in de week dat je ook een grote deadline op werk hebt.
En wat als je partner het anders doet?
Ah, de klassieker. Jij probeert consequent te zijn, en je partner denkt na de tiende keer uit bed: “Kom maar dan, je mag wel even bij ons liggen.”
Kinderen zijn hier heel gevoelig voor. Als de ene ouder ‘strenger’ is dan de ander, kiezen ze natuurlijk de makkelijkste route.
Probeer daarom overdag even samen te zitten en af te spreken:
- Wat is óns plan voor de avonden?
- Hoe reageren we als ons kind uit bed komt?
- Wat doen we wél, wat doen we niet meer?
Je hoeft het niet overal over eens te zijn in het leven, maar rond bedtijd is een gezamenlijke lijn wel heel handig. Dat geeft rust voor je kind én voor jullie.
Een avond in praktijk: zo kan het eruitzien
Stel: je kind is 3 jaar en komt steeds uit bed.
Je avond zou er dan ongeveer zo uit kunnen zien:
Je doet samen jullie vaste ritueel. Na het verhaaltje zeg je:
“We hebben geplast, gedronken, geknuffeld en verhaaltje gelezen. Nu is het tijd om te slapen. Jij blijft in bed, ik ga beneden opruimen. Als je me nodig hebt, ben ik daar.”
Je geeft een kus, loopt weg.
Komt je kind er na twee minuten uit?
“Ik zie dat je uit bed bent gekomen. Het is tijd om te slapen. Ik breng je terug naar bed.”
Je brengt je kind rustig terug. Geen extra verhaaltje, geen uitgebreide discussie. Je blijft vriendelijk, maar kort.
Komt je kind weer?
Zelfde zin, zelfde handeling.
Ja, het is saai. Dat is precies de bedoeling. Voor je kind wordt het minder ‘interessant’ om uit bed te komen als er niets nieuws gebeurt.
En jij dan? Hoe houd je het zelf vol?
Over dit alles praten is één ding, het ’s avonds om 20.45 uur doen terwijl je zelf eigenlijk wilt instorten, is iets anders.
Een paar kleine dingen die kunnen helpen:
- Spreek met jezelf af: “Vanavond houd ik dit één uur lang vol.” Meer hoeft niet. Vaak is dat al genoeg.
- Wissel af met je partner als dat kan. De één doet de ene avond, de ander de volgende.
- Herinner jezelf eraan: ik ben niet streng om streng te zijn, ik geef duidelijkheid. Dat is juist veilig voor mijn kind.
Op sites als Slaapinstituut vind je meer achtergrond over slaap en ritme bij kinderen. Soms helpt het gewoon al om te weten: dit is normaal, we zijn niet de enigen.
Veelgestelde vragen over peuters die uit bed blijven komen
Mijn kind huilt heel hard als ik het terugbreng. Moet ik dan toch volhouden?
Huilen is niet automatisch een teken dat je iets ‘fout’ doet. Je kind vindt de nieuwe grens spannend en uit dat met tranen. Blijf rustig, troostend in je toon, maar verander de grens niet. Zeg bijvoorbeeld: “Je mag boos/verdrietig zijn. En toch is het nu bedtijd, ik breng je terug naar bed.” Wordt het huilen heel paniekerig of anders dan normaal, kijk dan of er niet iets anders speelt (pijn, angst, nachtmerrie).
Mag mijn kind soms wel bij ons in bed slapen, of maak ik het dan moeilijker?
Dat hangt af van wat jullie zelf willen. Als je co-sleeping fijn vindt en het werkt voor jullie, is dat prima. Wil je juist dat je kind in zijn eigen bed slaapt, dan helpt het om daar zo consequent mogelijk in te zijn. Af en toe een uitzondering (bijvoorbeeld bij ziekte) is echt niet meteen ‘funest’, maar hoe voorspelbaarder je bent, hoe sneller je kind snapt wat de bedoeling is.
Hoe lang mag een avondritueel duren?
Dat verschilt per gezin, maar vaak werkt iets van 20 tot 30 minuten goed. Lang genoeg voor rust en aandacht, kort genoeg om niet eindeloos te rekken. Als het ritueel steeds langer wordt door extra verhaaltjes en kletspraat, kun je beter overdag of over het avondeten heen meer klets- en knuffeltijd inbouwen.
Mijn kind lijkt juist hyperactief rond bedtijd. Wat kan ik doen?
Veel kinderen die ‘druk’ zijn rond bedtijd, zijn eigenlijk oververmoeid of overprikkeld. Probeer het laatste uur voor slapen wat rustiger te maken: geen wilde spelletjes, schermen uit, gedimd licht. Een vast, rustig ritueel helpt dan enorm. Op Gezondheidsnet vind je algemene tips over een rustige slaatomgeving.
Wanneer moet ik naar de huisarts met slaapproblemen?
Als je kind structureel slecht slaapt, erg moe is overdag, veel nachtmerries of nachtangsten heeft, of als je je gewoon zorgen maakt, is het altijd goed om je huisarts te bellen. Op Thuisarts kun je vooraf al informatie lezen over wanneer extra hulp verstandig is.
Je peuter of kleuter die maar uit bed blijft komen, is geen ‘lastpak’, maar een kind dat zoekt naar duidelijkheid, nabijheid en een beetje houvast. Met een helder ritueel, rustige grenzen en een flinke dosis herhaling kun je daar echt verandering in brengen.
Niet in één nacht, wel stap voor stap. En elke stap richting een iets rustigere avond is er één.
Related Topics
Help, mijn peuter blijft uit bed komen! Wat werkt wél?
Slaapwandelen bij kinderen: wanneer maak je je wél zorgen?
Nachtmerries bij Peuters: Wat te Doen en Hoe te Helpen
Angst in het Donker bij Peuters en Kleuters: Tips en Oplossingen
Help, mijn peuter wil in een groot bed slapen – is het al zover?
Help, overdag zindelijk maar ’s nachts nog nat – en nu?
Explore More Peuters en Kleuters
Discover more examples and insights in this category.
View All Peuters en Kleuters