Waarom narcolepsie type 1 en 2 meer zijn dan een label

Stel je voor: je zit in een belangrijke vergadering, je volgt alles, je bent scherp... en ineens is het zwart. Je wordt een paar minuten later wakker met vage blikken om je heen en iemand die vraagt of het wel gaat. Je hebt niet “even zitten wegdromen”, je bent daadwerkelijk in slaap gevallen. En dat niet één keer, maar meerdere keren per dag. Voor veel mensen met narcolepsie is dat geen dramatische overdrijving, maar gewoon dinsdagmiddag. Toch wordt er vaak gedaan alsof narcolepsie één soort aandoening is, één hokje. In de praktijk zijn er twee hoofdtypen: narcolepsie type 1 en narcolepsie type 2. Op papier lijkt dat een nette scheiding. In de spreekkamer en in iemands leven is het een stuk rommeliger. In dit artikel duiken we in die twee typen, maar niet met droge definities alleen. We kijken naar wat je er in het echte leven van merkt, waarom artsen soms twijfelen tussen type 1 en type 2, en waarom dat label je behandeling en je toekomstverwachting best wel kan beïnvloeden. En ja, we hebben het ook over die beruchte kataplexie, maar dan zonder medisch handboekjargon.
Written by
Jamie
Published

Twee soorten narcolepsie - maar voelt dat ook zo?

Op papier is het verschil simpel: bij narcolepsie type 1 is er sprake van kataplexie (plotseling verlies van spierspanning bij emoties) of een heel laag gehalte van de stof hypocretine (ook wel orexine) in het hersenvocht. Bij narcolepsie type 2 ontbreken die twee kenmerken, maar is er wel sprake van ernstige slaperigheid overdag en afwijkende slaaptesten.

In het echte leven is het natuurlijk minder netjes. Neem Sara, 29 jaar, projectmanager. Ze valt al sinds haar studententijd overal in slaap: in de trein, achter haar laptop, soms zelfs tijdens een gesprek. Jarenlang werd het afgedaan als “druk leven” en “je moet echt eens wat rustiger aan doen”. Kataplexie had ze niet, dus de eerste neuroloog dacht aan narcolepsie type 2. Pas jaren later, toen ze ineens haar knieën voelde wegzakken terwijl ze moest lachen om een grap van een collega, ging er een lampje branden. Nieuwe testen, nieuw label: toch type 1.

Die overgang van type 2 naar type 1 komt vaker voor dan je denkt. Het laat zien dat die indeling nuttig is, maar nou ja, ook een beetje kunstmatig. Het is niet alsof je hersenen braaf een formulier invullen.

Wat maakt type 1 anders dan type 2?

De rol van hypocretine: een brein dat zijn “wekker” kwijt is

Bij narcolepsie type 1 is er meestal een ernstig tekort aan hypocretine, een signaalstof in de hersenen die helpt om wakker te blijven en de slaap-waakcyclus te regelen. Je kunt het zien als de interne “wekker” van je brein. Zonder die stof wordt de grens tussen wakker zijn en REM-slaap poreus. Dromen en spierverslapping, die bij REM-slaap horen, lekken als het ware je wakkere leven in.

Bij type 2 lijkt dat hypocretinesysteem minder verstoord, of in elk geval niet zo duidelijk aantoonbaar. De slaperigheid is er wel, maar kataplexie ontbreekt en het hypocretineniveau is meestal normaal of niet getest. Toch laten slaaponderzoeken vaak zien dat de REM-slaap veel te snel opstart, soms al binnen enkele minuten na het inslapen.

Kataplexie: lachen en door je knieën zakken

Het meest opvallende verschil in het dagelijks leven is kataplexie. Bij type 1 komt dat vaak voor, bij type 2 per definitie niet. Kataplexie is geen flauwvallen, en ook geen epilepsie. Je bent bij bewustzijn, je hoort alles, je krijgt mee wat er gebeurt, maar je spieren geven het op.

Dat kan subtiel zijn: even je kaak die verslapt als je lacht, of je hoofd dat kort wegzakt. Het kan ook veel heftiger zijn, met volledig in elkaar zakken bij een sterke emotie, zoals schrik, lachen of boosheid. Mensen met type 1 leren vaak om emoties af te vlakken. Minder hard lachen, niet te enthousiast reageren, ruzies vermijden. Dat is nogal wat, als je erover nadenkt.

Bij type 2 ontbreekt dat typische beeld. Dat maakt het leven niet automatisch makkelijker, maar het verandert wel de manier waarop anderen naar je kijken. Een plotselinge ineenstorting tijdens het lachen is spectaculair en valt op. “Altijd moe” zijn, of steeds “even wegvallen”, wordt sneller gezien als luiheid, gebrek aan discipline of een burn-out.

Waarom artsen dit vaak missen

Narcolepsie is zeldzaam vergeleken met bijvoorbeeld slaapapneu of slapeloosheid. Veel huisartsen zien in hun hele carrière maar een handvol patiënten met echte narcolepsie, als ze die al herkennen. De klachten lijken op een hele rij andere problemen: depressie, chronische vermoeidheid, burn-out, ADHD, slaaptekort door een druk leven.

Bij type 1 helpt kataplexie soms als rode vlag. Maar als dat nog niet duidelijk aanwezig is, of als iemand die aanvallen niet goed onder woorden kan brengen, blijft het snel bij vage labels als “oververmoeid” of “stress”. Bij type 2 is het nog lastiger, omdat dat opvallende signaal ontbreekt.

Het gevolg: jaren vertraging. Mensen die al vanaf de middelbare school overdag in slaap vallen, krijgen soms pas in hun dertigste of veertigste levensjaar een duidelijke diagnose. In de tussentijd is er vaak van alles geprobeerd: antidepressiva, psychotherapie, mindfulness, koffie in hoeveelheden waar je hart van gaat stuiteren.

In Nederland en België kom je meestal via de huisarts bij een neuroloog of een gespecialiseerd slaapcentrum terecht als er echt aan narcolepsie wordt gedacht. Daar volgen dan een nachtelijk slaaponderzoek (polysomnografie) en een dagtest (Multiple Sleep Latency Test, MSLT). Bij type 1 wordt soms ook hersenvocht onderzocht op hypocretine, maar dat is een ruggenprik en dus niet iets wat lichtvaardig wordt gedaan.

Hoe voelt een dag met type 1 of type 2?

De voortdurende strijd tegen slaap

Bij beide typen staat één ding centraal: overmatige slaperigheid overdag. Niet “een beetje moe” na een kort nachtje, maar een soort zwaartekracht in je brein die je steeds naar beneden trekt. Mensen beschrijven het als vechten tegen de golven. Je kunt je even oprichten, maar uiteindelijk word je toch meegesleurd.

Bij type 1 komt daar de angst voor kataplexie bij. Neem Joris, 42 jaar, docent. Hij plant zijn lessen zo dat hij niet te veel hoeft te lachen met zijn leerlingen, hoe gezellig hij ze ook vindt. Een paar keer door zijn knieën gaan in de klas was genoeg om hem voorzichtig te maken. Hij neemt in de pauze een korte geplande powernap in een leeg lokaal. Zonder die dutjes redt hij de middag niet.

Bij type 2 is de slaperigheid vaak net zo intens, maar minder “spectaculair”. Mensen vallen weg achter hun computer, tijdens een film, in de trein. Soms gaat het om korte “slaapaanvallen” van een paar minuten, soms om langere periodes. Omstanders zien het als saaiheid, gebrek aan interesse, of - nog pijnlijker - als domheid.

Nacht niet goed, dag niet goed

Ironisch genoeg slapen veel mensen met narcolepsie ‘s nachts helemaal niet zo goed. De slaap is gefragmenteerd: vaak wakker, onrustig dromen, soms heftige nachtmerries. Dat geldt voor type 1 én type 2.

Daar bovenop komen regelmatig verschijnselen als slaapverlamming (even niet kunnen bewegen bij het inslapen of wakker worden) en hypnagoge hallucinaties (levensechte, soms angstige beelden of geluiden bij het in slaap vallen of wakker worden). Die klachten komen bij type 1 vaker voor, maar kunnen bij type 2 zeker ook optreden.

Waarom dat label toch uitmaakt

Je zou bijna denken: als de klachten zo overlappen, waarom maakt dat onderscheid tussen type 1 en 2 dan zoveel uit? Twee redenen springen eruit: behandeling en prognose.

Behandeling: dezelfde richting, andere accenten

De basis van de behandeling is bij beide typen vergelijkbaar: middelen die je overdag alerter maken, en soms medicijnen die kataplexie en REM-gerelateerde klachten onderdrukken. Denk aan stimulantia of middelen die specifiek zijn geregistreerd voor narcolepsie. Daarnaast spelen leefstijlaanpassingen een grote rol: vaste slaaptijden, geplande dutjes, voorzichtig omgaan met nachtdiensten en lange autoritten.

Bij type 1 is er vaak meer focus op het onderdrukken van kataplexie en het verminderen van nachtmerries en slaapverlamming. Bij type 2 ligt de nadruk vaker op het verbeteren van waakzaamheid en het structureren van de dag. Maar in de praktijk lopen die lijnen aardig door elkaar.

Prognose: verandert type 2 soms in type 1?

Een lastige vraag: blijft narcolepsie type 2 altijd type 2? Bij een deel van de mensen blijkt na verloop van tijd toch kataplexie te ontstaan. Dan schuift de diagnose eigenlijk richting type 1. Het is dus geen waterdichte muur tussen twee ziektes, maar eerder een glijdende schaal.

Voor patiënten voelt dat soms als een identiteitswissel: “Had ik het dan al die tijd mis?” In werkelijkheid verandert de biologie niet ineens. De klachten worden duidelijker, de meetbare kenmerken passen beter in het type 1-plaatje, en het label beweegt mee.

Misverstanden die hardnekkig blijven hangen

“Narcolepsie is gewoon luiheid of gebrek aan wilskracht”

Dit is misschien wel de meest schadelijke mythe. Mensen met narcolepsie, of het nu type 1 of 2 is, werken vaak juist keihard om normaal te functioneren. Ze drinken koffie, bewegen tussendoor, plannen dutjes, forceren zich om wakker te blijven. De vermoeidheid is niet psychologisch, maar neurologisch.

“Je valt zomaar overal in slaap, dus autorijden kan nooit”

Autorijden is inderdaad een gevoelig onderwerp. In Nederland en België zijn er duidelijke regels en moet een arts vaak beoordelen of autorijden verantwoord is. Dat geldt voor beide typen. Met goede behandeling en voldoende zelfinzicht kunnen sommige mensen veilig rijden, anderen niet. Het is dus geen automatisch rijverbod, maar ook zeker geen vrijbrief.

“Type 2 is de milde variant”

Die uitspraak hoor je nog wel eens, ook in de zorg. Voor sommige mensen klopt het: geen kataplexie, iets minder heftige REM-gerelateerde verschijnselen. Maar er zijn ook genoeg mensen met type 2 die bijna niet kunnen werken zonder dutjes, die sociaal afhaken omdat ze steeds “wegvallen”, en die zich totaal niet herkennen in het idee van “mild”.

Leven in een maatschappij die altijd wakker wil zijn

Nederland en België draaien op productiviteit, flexibiliteit en beschikbaarheid. Altijd bereikbaar, altijd alert, altijd “aan”. Met narcolepsie, type 1 of 2, leef je eigenlijk continu tegen de stroom in.

Werkgevers snappen het niet altijd. Collega’s vinden het moeilijk te plaatsen. Partners moeten wennen aan iemand die tijdens een film ineens weg is, of die een feestje vroeg moet verlaten om niet compleet uitgeput te raken. En dan hebben we het nog niet eens over studeren met ochtendcolleges, tentamens op vaste tijden en groepsprojecten die tot laat doorgaan.

Toch zie je dat mensen met narcolepsie vaak creatieve manieren vinden om hun leven in te richten. Flexibele werktijden, thuiswerken, banen met meer denkwerk dan fysieke aanwezigheid, duidelijke afspraken over rustmomenten. Het vraagt veel zelfkennis en assertiviteit om dat voor elkaar te krijgen.

Wanneer moet je aan narcolepsie denken?

Als je jezelf al maanden of jaren hoort zeggen: “Ik ben zó moe, en slapen helpt niet echt”, dan is het op zijn minst de moeite waard om verder te kijken dan alleen stress of drukte. Helemaal als je merkt dat je:

  • overdag onbedwingbare slaapaanvallen hebt
  • ‘s nachts onrustig slaapt, veel wakker wordt of heftig droomt
  • vreemde ervaringen hebt bij het in slaap vallen of wakker worden, zoals niet kunnen bewegen of dingen zien/horen die er niet zijn
  • momenten hebt waarop je spieren verslappen bij emoties (bijvoorbeeld lachen, schrikken, boos worden)

Dat betekent niet dat je automatisch narcolepsie hebt, laat staan type 1 of 2. Maar het is wel een signaal om met je huisarts te praten en eventueel doorverwezen te worden naar een slaapcentrum of neuroloog.

Goede, Nederlandstalige basisinformatie over narcolepsie vind je bijvoorbeeld bij Hersenstichting en Thuisarts. Voor meer gespecialiseerde info en achtergrond kun je ook kijken op sites van slaapcentra, zoals het Slaap-Waakcentrum.

Wat je wél kunt doen, ook als de diagnose nog niet rond is

Zonder in de valkuil van “het ligt aan je leefstijl” te trappen, zijn er een paar dingen die voor veel mensen met (mogelijke) narcolepsie helpen, ongeacht type.

Korte geplande dutjes overdag kunnen het verschil maken tussen volledig instorten en redelijk functioneren. Niet wegdommelen op de bank wanneer het toevallig gebeurt, maar bewust 10 tot 20 minuten liggen, liefst op een rustige plek. Vaste slaaptijden helpen ook: je brein houdt nou eenmaal van ritme, zelfs als dat hypocretinesysteem niet helemaal meewerkt.

Daarnaast is het handig om open te zijn naar een paar mensen in je omgeving. Niet iedereen hoeft je medische dossier te kennen, maar een collega, leidinggevende of studiegenoot die weet dat je niet “ongeïnteresseerd” bent als je even wegvalt, kan al een wereld van verschil maken.

FAQ over narcolepsie type 1 en type 2

Is type 1 altijd ernstiger dan type 2?

Niet automatisch. Type 1 gaat vaker gepaard met kataplexie en sterke REM-gerelateerde klachten, wat heel ingrijpend kan zijn. Maar de impact van type 2 kan net zo groot zijn, zeker als de slaperigheid overdag extreem is en er weinig begrip is vanuit de omgeving. De ernst verschilt per persoon, niet alleen per label.

Kun je van type 2 “overgaan” naar type 1?

Dat kan. Soms wordt iemand eerst als type 2 gediagnosticeerd, omdat er geen kataplexie is en er geen hypocretinetest is gedaan. Als er later toch kataplexie ontstaat of hypocretine ernstig verlaagd blijkt, past de diagnose beter bij type 1. Het is dus meer een verschuiving in inzicht dan een plotselinge verandering in de ziekte.

Hoe wordt het verschil tussen type 1 en 2 vastgesteld?

Dat gebeurt op basis van klachten, slaaponderzoeken en soms een meting van hypocretine in het hersenvocht. Bij type 1 is er kataplexie of een duidelijk verlaagd hypocretineniveau. Bij type 2 is er wel ernstige slaperigheid en afwijkende slaaptesten, maar geen kataplexie en meestal geen verlaagd hypocretine.

Kun je normaal werken met narcolepsie?

Veel mensen met narcolepsie, zowel type 1 als 2, werken of studeren. Maar “normaal” betekent vaak: met aanpassingen. Denk aan flexibele werktijden, de mogelijkheid om korte dutjes te doen, vermijden van nachtdiensten en duidelijke afspraken over taken. Wat haalbaar is, verschilt per persoon en per beroep.

Waar vind ik betrouwbare informatie in het Nederlands?

Goede startpunten zijn de Hersenstichting voor neurologische aandoeningen, Thuisarts voor patiëntgerichte medische informatie en bijvoorbeeld gespecialiseerde slaapcentra zoals het Slaap-Waakcentrum. Zij bieden informatie die is afgestemd op de Nederlandse zorgpraktijk.


Narcolepsie type 1 en type 2 zijn geen theoretische vakjes, maar manieren om een heel weerbarstige werkelijkheid enigszins te ordenen. Uiteindelijk gaat het niet om welk label er in je dossier staat, maar om de vraag: hoe zorg je ervoor dat jouw leven niet volledig wordt gedicteerd door slaap die op de verkeerde momenten komt? Dat gesprek begint vaak laat, maar liever laat dan nooit.

Explore More Narcolepsie en Hypersomnie

Discover more examples and insights in this category.

View All Narcolepsie en Hypersomnie