Als je kind gillend rechtop zit en toch slaapt

Stel je voor: je schrikt midden in de nacht wakker van een bloedstollende gil. Je rent naar de kinderkamer, het licht gaat aan, je kind zit rechtop in bed, ogen wijd open, hartslag razendsnel, zweet op het voorhoofd. Je probeert te troosten, maar er komt geen contact. Alsof je tegen een muur praat. En dan, na een paar minuten, zakt het weg. De volgende ochtend? "Waar heb je het over?" Geen herinnering. Geen nachtmerrie. Niks. Dat is het vreemde, bijna filmachtige karakter van nachtangst, of pavor nocturnus. Het ziet er dramatisch uit, voelt voor ouders als pure horror, maar de persoon zelf weet er meestal niets meer van. En ja, het komt vooral bij kinderen voor, maar volwassenen zijn zeker niet uitgesloten. In deze gids lopen we door wat er nu eigenlijk gebeurt in het brein, waarom het vaak wordt verward met nachtmerries of epilepsie, wanneer je je echt zorgen moet maken en wat je thuis wél en beter níet kunt doen. Zonder paniek, zonder zweverig gedoe, maar met nuchtere uitleg en praktische handvatten.
Written by
Jamie
Published
Updated

Waarom nachtangst zo anders voelt dan een nachtmerrie

Nachtangst voelt voor omstanders allesbehalve onschuldig. Het geschreeuw, de paniek in het gezicht, het zweten, soms zelfs vechten of wild om zich heen slaan - het lijkt alsof iemand midden in een nachtmerrie zit en daar niet uitkomt. Alleen: bij nachtangst droomt iemand eigenlijk niet op de manier die je van een nachtmerrie kent.

Bij een nachtmerrie word je meestal wakker uit de droomslaap (REM-slaap), kun je de droom vaak nog redelijk navertellen en ben je bang, maar wél aanspreekbaar. Bij nachtangst gebeurt het in een andere slaapfase, de diepe non-REM-slaap. De hersenen zitten dan in een soort tussenstand: half in diepe slaap, half richting wakker worden. Dat gaat soms mis, en dan krijg je zo’n intense, chaotische reactie.

Een ouder vertelde het zo over haar zoon van 6: hij ging prima naar bed, sliep vlot in, en dan, ongeveer anderhalf uur later, begon het. Hij ging rechtop zitten, keek door haar heen, schreeuwde dat hij weg wilde, trapte tegen het dekbed. Als ze hem wilde vastpakken, werd het erger. Vijf minuten later zakte hij neer en sliep verder. De volgende ochtend keek hij haar verbaasd aan toen ze het erover had. Dat is eigenlijk het klassieke plaatje.

Wat er in de hersenen gebeurt tijdens nachtangst

De slaap is geen aan/uit-knop, maar een cyclus van verschillende fasen. Grofweg:

  • lichte non-REM-slaap
  • diepe non-REM-slaap (slow wave sleep)
  • REM-slaap (droomslaap)

Nachtangst ontstaat vrijwel altijd in de diepe non-REM-slaap, meestal in het eerste derde deel van de nacht. De overgang van diepe slaap naar een iets lichtere fase gaat dan niet soepel. Een deel van de hersenen “wordt wakker”, vooral de systemen die gaan over motoriek en stressreacties, terwijl de delen voor bewustzijn en geheugen grotendeels in slaapstand blijven.

Gevolg: het lichaam reageert alsof er acuut gevaar is - hartslag omhoog, ademhaling versnelt, spieren gespannen, soms zweten of trillen - maar de persoon zelf is niet echt wakker en heeft geen helder besef van wat er gebeurt. Je ziet dus een soort paniekaanval zonder dat er een echte bewuste beleving of herinnering aan vastzit.

Dat verklaart meteen twee dingen die ouders vaak in de war brengen:

  • waarom je geen normaal gesprek krijgt (er is gewoon geen volledig bewustzijn)
  • waarom er de volgende ochtend geen herinnering is

Hoe herken je nachtangst in de praktijk?

Er is geen bloedtest of scan voor pavor nocturnus. Het is vooral een klinische diagnose: wat zie je, wanneer gebeurt het, hoe reageert iemand, wat weet hij of zij er later nog van?

Typische kenmerken die je bij nachtangst vaak ziet:

  • Het begint meestal in de eerste uren van de nacht, vaak 1 tot 3 uur na het inslapen.
  • De persoon komt plotseling rechtop in bed, soms met een schreeuw of heftige beweging.
  • Het gezicht laat intense angst zien: grote ogen, gespannen kaak, soms huilen of gillen.
  • Hartslag en ademhaling zijn snel, soms is er zweten of roodheid in het gezicht.
  • Er is nauwelijks of geen echt contact te krijgen: iemand reageert niet logisch op vragen.
  • Als je probeert vast te houden of wakker te schudden, kan de onrust juist erger worden.
  • Na enkele minuten tot een kwartier zakt het weg en valt iemand weer in diepe slaap.
  • De volgende ochtend is er meestal geen herinnering of hooguit een vaag gevoel.

Dat laatste is een belangrijk onderscheid met nachtmerries. Een kind met een nachtmerrie kan vaak zeggen waar het over ging, zoekt troost, is wakker en aanspreekbaar. Bij nachtangst zit je met iemand die er eigenlijk niet echt bij is.

Neem Noor, 9 jaar. Zij had volgens haar ouders “vreselijke nachtmerries”. Ze gilde, trapte, sloeg met haar armen en leek soms zelfs te vluchten uit bed. De huisarts dacht eerst aan nachtmerries, totdat bleek dat Noor zich nooit iets herinnerde en dat het vrijwel altijd rond 23.00 uur gebeurde, ongeacht hoe laat ze naar bed ging. Toen viel het kwartje: nachtangst, geen nachtmerries.

Waarom artsen dit best wel vaak missen

Nachtangst is op zich geen zeldzame verschijning, maar het wordt vaak verward met andere dingen: nachtmerries, epilepsie, angststoornissen, soms zelfs gedragsproblemen. Zeker als een kind ook overdag druk of angstig is, gaat de aandacht al snel die kant op.

Artsen moeten het hebben van het verhaal dat ouders vertellen. En daar gaat het soms mis. Ouders zijn geschrokken, vertellen vooral hoe heftig het eruitzag, maar minder precies wanneer in de nacht het gebeurt, hoe lang het duurt en of het kind er later nog iets van weet. Dat zijn nou juist de details die het verschil maken.

Een andere reden: nachtangst wordt vaak een beetje afgedaan als “iets dat wel overgaat”. Dat klopt op lange termijn meestal, maar dat helpt weinig als je als ouder drie keer per week om 22.30 uur met een krijsend kind in je armen staat. Ook bij volwassenen wordt het onderschat, zeker als er schaamte is om erover te praten.

Als je merkt dat je huisarts het lastig vindt om het goed in te schatten, helpt het om een soort slaapdagboek bij te houden: hoe laat naar bed, hoe laat de aanval ongeveer begint, hoe lang het duurt, wat je precies ziet en of er de volgende dag herinnering is. Dat klinkt saai, maar het maakt het gesprek ineens een stuk concreter.

Nachtangst bij kinderen: vaak heftig, meestal tijdelijk

Bij kinderen is nachtangst eigenlijk vooral een ontwikkelingsfenomeen. Hun brein is nog volop bezig met het verfijnen van slaapstructuur. De diepe slaap is bij jonge kinderen relatief sterk aanwezig, en de overgangen tussen slaapfasen zijn nog wat wiebelig.

De piekleeftijd ligt vaak tussen 3 en 8 jaar. Veel kinderen hebben in die periode af en toe een episode, sommige kinderen een serie aanvallen in een paar maanden. In veel gevallen verdwijnt het vanzelf naarmate het kind ouder wordt en de slaap stabieler wordt.

Dat “vanzelf” is fijn om te weten, maar het maakt de nachtelijke realiteit niet minder spannend. Ouders vragen zich af: doet mijn kind zichzelf pijn? Is dit slecht voor zijn brein? Wordt hij hier later angstig van? Het eerlijke antwoord: lichamelijke schade is uiterst zeldzaam, het brein raakt hier niet van “beschadigd” en kinderen herinneren zich er meestal niets van. De stress zit vooral bij de ouders.

Toch zijn er situaties waarin kinderen wel risico lopen, bijvoorbeeld als ze tijdens een aanval uit bed klimmen, rennen of tegen meubels stoten. Dan is het verstandig de omgeving aan te passen: scherpe hoeken afschermen, eventueel een matras naast het bed, ramen goed afgesloten, geen stapel speelgoed waar je over kunt struikelen.

Nachtangst bij volwassenen: minder bekend, vaak complexer

Bij volwassenen is het verhaal vaak anders. Nachtangst komt minder vaak voor, maar als het er is, hangt het nogal eens samen met andere factoren: stress, slaaptekort, middelengebruik, onderliggende psychische problemen of andere slaapstoornissen zoals slaapapneu.

Neem Mark, 34 jaar. Hij werkt in ploegendienst, slaapt onregelmatig en drinkt ‘s avonds graag nog wat bier om “uit” te gaan. Zijn partner merkt dat hij een paar keer per maand in paniek rechtop zit, schreeuwt en soms zelfs uit bed springt. Overdag voelt hij zich uitgeput. Bij hem is nachtangst niet zomaar een losstaand fenomeen, maar onderdeel van een totaal verstoord slaappatroon.

Bij volwassenen is het daarom verstandig om breder te kijken:

  • is er forse stress of burn-out?
  • wordt er veel koffie, alcohol of drugs gebruikt?
  • is er sprake van snurken, adempauzes, ochtendhoofdpijn (mogelijke slaapapneu)?
  • zijn er andere psychiatrische klachten, zoals angst of PTSS?

Waar je bij kinderen vaak nog rustig kunt afwachten met wat praktische aanpassingen, is bij volwassenen een slaap- of huisartsenconsult eerder op zijn plaats.

Triggers: waarom het soms ineens vaker voorkomt

De aanleg voor nachtangst lijkt deels in de familie te zitten. Ouders die zelf vroeger slaapwandelen of nachtangst hadden, zien het niet zelden terug bij hun kinderen. Maar aanleg alleen is niet het hele verhaal. Er zijn typische triggers die de kans op een episode vergroten.

Veelgenoemde uitlokkers:

  • slaaptekort of heel onregelmatige slaaptijden
  • koorts of ziekte (zeker bij kinderen)
  • stressvolle gebeurtenissen of spanningen overdag
  • plotselinge geluiden of aanrakingen in de diepe slaap
  • sommige medicijnen of middelen (zoals alcohol)

Dat verklaart waarom ouders vaak zeggen: “Het is altijd erger als hij laat naar bed gaat” of “Het begon toen ze ziek was”. Het brein dat al op zijn tandvlees loopt, raakt sneller uit balans in die kwetsbare diepe slaapfase.

Een praktische insteek is dus niet alleen kijken naar de nacht zelf, maar ook naar de dag: hoe druk is het, hoe laat gaat iemand naar bed, is er ruimte om tot rust te komen? Klinkt bijna te simpel, maar bij veel kinderen zie je dat een regelmatiger ritme en iets meer slaap al merkbaar verschil maken in de frequentie.

Wat je thuis wél en beter níet kunt doen

Ouders en partners doen in paniek vaak precies wat het minst helpt: hard schudden, fel licht aan, veel praten, soms zelfs boos worden uit machteloosheid. Logisch, maar niet handig.

Wat meestal beter werkt:

  • Blijf zelf zo rustig mogelijk, hoe lastig dat ook is.
  • Zorg dat de persoon zich niet kan bezeren: wegblijven van trap, scherpe hoeken, ramen.
  • Praat zacht en eenvoudig, zonder veel vragen: “Je bent veilig”, “Ik ben hier”.
  • Probeer niet geforceerd wakker te maken; dat maakt de verwarring vaak groter.
  • Wacht het uit. De meeste episodes duren enkele minuten.

Wat liever niet:

  • schreeuwen, hard schudden, of boos worden uit frustratie
  • uitgebreid ondervragen tijdens of direct na de aanval
  • de volgende ochtend dramatisch terugkomen op hoe erg het was (zeker bij kinderen)

Bij kinderen kun je soms gebruikmaken van een truc die “geplande wekking” wordt genoemd. Als de nachtangst bijna altijd rond een bepaald tijdstip komt, kun je het kind 15 tot 30 minuten daarvoor kort wakker maken, even laten praten of naar de wc laten gaan en dan weer laten inslapen. Daarmee doorbreek je de diepe slaap op dat kwetsbare moment. Niet iedereen heeft er baat bij, maar bij sommige kinderen zie je dat de aanvallen daardoor minder worden.

Wanneer moet je écht naar de dokter?

Nachtangst is meestal onschuldig in de zin dat het geen blijvende schade veroorzaakt. Maar dat betekent niet dat je het altijd maar moet wegwuiven. Sommige signalen vragen om een medische check.

Redenen om naar de huisarts of een slaaparts te gaan:

  • de aanvallen zijn heel vaak (bijvoorbeeld meerdere keren per week) en verstoren het hele gezin
  • er is risico op ernstig letsel, bijvoorbeeld door springen uit bed of rennen naar de trap
  • er zijn twijfels of het misschien epileptische aanvallen kunnen zijn (bijvoorbeeld stijve schokken, rare bewegingen, ook overdag aanvallen)
  • de persoon is overdag extreem slaperig, valt in slaap op verkeerde momenten
  • er zijn andere klachten zoals snurken, adempauzes, nachtelijk stikken
  • de nachtangst begint pas op latere leeftijd zonder duidelijke aanleiding

Bij twijfel is beeldmateriaal goud waard. Een discreet gemaakte video van een aanval (zonder het op sociale media te gooien, uiteraard) helpt artsen enorm om het onderscheid te maken met bijvoorbeeld epilepsie of nachtmerries.

Op sites als Thuisarts en de Hersenstichting vind je nuchtere, Nederlandstalige uitleg die je gesprek met de huisarts kan ondersteunen.

Behandeling: vaak rust, soms meer

Voor de meeste kinderen is de “behandeling” eigenlijk vooral uitleg en geruststelling. Begrijpen wat er gebeurt, haalt al een groot deel van de angst bij ouders weg. Daarnaast draait het om een paar praktische pijlers:

  • regelmatige bedtijden, ook in het weekend
  • genoeg slaapuren voor de leeftijd
  • rustige overgang naar de nacht (schermtijd beperken, geen wilde spelletjes vlak voor bed)
  • letten op ziekte, koorts en medicijngebruik

Bij hardnekkige of zeer heftige nachtangst, vooral bij volwassenen, kan een slaaponderzoek (polysomnografie) zinvol zijn. Daarmee wordt gekeken naar de slaapstructuur, ademhaling, bewegingen en hersenactiviteit. Soms komt daar bijvoorbeeld slaapapneu of een andere slaapstoornis uit, en is de nachtangst meer een soort bijproduct.

Medicatie wordt maar zelden ingezet en dan vooral in specialistische setting, bijvoorbeeld korte tijd een kalmerend middel of antidepressivum om de slaaparchitectuur te beïnvloeden. Dat is geen standaardaanpak en absoluut geen doe-het-zelf-route.

Psychologische begeleiding kan behulpzaam zijn als er veel angst om de aanvallen heen is ontstaan, of als stress en trauma een rol spelen. Niet omdat nachtangst “tussen de oren” zit, maar omdat een overbelast systeem - mentaal en lichamelijk - nu eenmaal sneller ontspoort in de nacht.

Wat dit betekent voor de rest van het gezin

Nachtangst raakt niet alleen degene die het heeft, maar het hele huishouden. Ouders slapen slechter, broertjes en zusjes schrikken wakker, partners voelen zich machteloos. En dan is er nog de sociale laag: logeerpartijtjes, schoolkampen, relaties.

Een moeder vertelde dat ze haar dochter van 7 niet meer durfde te laten logeren, uit angst dat andere ouders zouden schrikken of haar “raar” zouden vinden. Een volwassen man met nachtangst durfde in het begin niet met zijn nieuwe partner op vakantie, bang dat hij haar midden in de nacht de stuipen op het lijf zou jagen.

Openheid helpt. Leg in simpele woorden uit wat er aan de hand is: “Soms raakt haar slaap een beetje in de war. Ze lijkt dan heel bang, maar ze slaapt eigenlijk nog. Het gaat vanzelf over en ze weet er later niks meer van.” Je zult merken dat veel mensen óf zelf iets vergelijkbaars hebben meegemaakt, óf iemand kennen bij wie het speelt.

Voor partners geldt: maak ook ruimte voor je eigen vermoeidheid en frustratie. Je hoeft niet de perfecte nachtwacht te zijn. Als de situatie uit de hand loopt of jullie nachtrust structureel onderuit haalt, is dat geen teken van falen, maar een signaal dat professionele hulp op zijn plaats is.

Veelgestelde vragen over nachtangst (pavor nocturnus)

Is nachtangst gevaarlijk voor de hersenen?
Nee, voor zover bekend veroorzaakt nachtangst geen hersenschade. Het is vooral een verstoorde overgang tussen slaapfasen. Het risico zit eerder in mogelijk letsel door vallen of botsen tijdens een aanval.

Heeft mijn kind hier later psychische problemen door?
De meeste kinderen herinneren zich de episodes niet en ontwikkelen er later geen angststoornis door. De spanning zit vooral bij de ouders. Wel kan een zeer onrustige thuissituatie of veel stress overdag op zichzelf invloed hebben op de ontwikkeling, maar dat staat los van de nachtangst als fenomeen.

Is dit hetzelfde als slaapwandelen?
Nachtangst en slaapwandelen horen bij dezelfde familie van parasomnieën in de diepe slaap. Ze kunnen apart voorkomen, maar ook samen. Bij nachtangst zie je vooral intense angst en paniek, bij slaapwandelen vooral doelgerichte, maar niet-bewuste bewegingen door de kamer of het huis.

Moet ik iemand wakker maken tijdens een nachtangstaanval?
Volledig wakker maken lukt vaak niet goed en kan de verwarring vergroten. Het is meestal beter om te beschermen tegen letsel, rustig aanwezig te zijn en af te wachten tot de aanval uitdooft. Geplande wekking vóór het gebruikelijke tijdstip van de aanval kan wél zinvol zijn bij sommige kinderen.

Wanneer groeit een kind hierover heen?
Bij veel kinderen nemen de episodes binnen enkele jaren af en verdwijnen ze rond de late basisschoolleeftijd. Er is geen harde leeftijdsgrens, maar als de klachten na de puberteit nog sterk aanwezig zijn, is een beoordeling door een slaapexpert verstandig.

Meer lezen en betrouwbare info

Wil je verder lezen over slaapstoornissen en parasomnieën, kijk dan bijvoorbeeld op:

Deze sites bieden Nederlandstalige, onafhankelijk beoordeelde informatie die goed aansluit bij de praktijk in Nederland en België.

Explore More Parasomnieën

Discover more examples and insights in this category.

View All Parasomnieën